Buitenplaatsen in de Beemster

De Beemster was in de zeventiende en achttiende eeuw wijd en zijd beroemd om zijn prachtige buitenplaatsen. Binnen- en buitenlandse bezoekers waren zeer onder de indruk van de schoonheid en het vernuft van dit staaltje van Hollandse ondernemingslust en techniek. Helaas is er van die statige landhuizen vrijwel niets meer overgebleven.

 

De Beemster was al binnen enkele decennia na de droogmaking een toonbeeld van overvloed en rijkdom. Jan Adriaansz Leegwater beschreef in zijn Haarlemmermeerboek de Volgerweg als volgt: "…dat er geen vermakelijker en lustzinniger weg in Holland is, dan de Volgerweg in de Beemster, daar al die schoone, heerlijke huizen en boomgaarden gebouwd zijn…". Door Joost van den Vondel werd na een bezoek aan het buiten van zijn goede vriend Charles Looten een lofdicht op de Beemster geschreven met de strofen: "Men danst, men banketteert in 's Koopmans rijke buurt. Hier lacht de goude tijt, in lieve lustprieelen".

 

Aan de Volgerweg stonden ook de meeste buitens. Jacobus Bouman telde hier op een kaart uit 1640 al dertien, waaronder het in 1628 door François van Oss gebouwde Zwaansvliet, gelegen naast Het Casteel van zijn broer de dijkgraaf Dirk van Oss de jonge. Hun jongste broer David van Oss bezat overigens een herenhuis in de knik van de Purmerenderweg. Ook de beroemdste buitenplaats van de Beemster, Vredenburgh, lag in de zuidoosthoek, aan de Zuiderweg. Maar ook langs de andere wegen, aan de Oostdijk en in het noorden waren buitenhuizen gelegen. In totaal komt Bouman voor 1640 op 52 "heerenhuizen". Daarvan waren twintig "heeren, vast verblijf houdende", zoals de Amsterdamse koopman Jan van der Straten die een buiten bewoonde aan de Rijperweg. De overige 32 huizen waren in bezit van "heeren, tijdelijk verblijf houdende", die dus alleen in de zomermaanden in de Beemster verbleven.

 

Een eeuw later zien we in de verponding, een soort onroerend goedbelasting, nog altijd 56 "plaisirhuizen". We kunnen er dus van uitgaan dat in deze gehele periode het aantal buitenplaatsen in de Beemster ruim vijftig stuks heeft bedragen. In de tweede helft van de achttiende eeuw loopt het aantal echter terug. Uiteindelijk zijn er in 1832, bij de invoering van het Kadaster, nog slechts een handvol over.

 

Hollands Arcadia

Het ideaal van het leven op een landgoed past in de geest van de Renaissance. Het idee van de villa rustica, waar commoditas (gerieflijkheid), sanitas (welzijn), bellezza (schoonheid) en bovenal magnificenza (status) waaide vanuit Italië over naar het noorden. Vooral de in de handel rijk geworden bovenlaag kon zo uiting geven aan zijn status. Daarbij werd wel gelet op de combinatie van otium (de vrije tijd) met negotium (belegging), dat wil zeggen dat het bezit van een landgoed wel wat moest opleveren. De Hollandse buitenplaatsen waren dan ook grotendeels zelfvoorzienend: de producten van de moestuin, orangerie, kassen en weilanden werden niet alleen voor eigen gebruik geteeld maar ook ter markt gebracht. Daarom lagen op de meeste landgoederen in de Beemster ook (stolp-)boerderijen, waar de pachtboer woonde.

 

Vredenburgh Vredenburgh met tuinen in vogelvlucht (Provinciale Atlas Noord-Holland)

 

Rond het begin van de zeventiende eeuw ontstond bij de Hollandse elite een hang naar het buitenleven. In navolging van binnen- en buitenlandse adel die zich kon terugtrekken op voorouderlijke landgoederen, zochten de rijke kooplieden en bestuurders een manier om hun vrije tijd door te brengen buiten de stad. Vooral in de duinstreek en langs de Vecht, maar ook in de nieuwe droogmakerijen verrezen buitenhuizen met prachtig aangelegde parken en tuinen. Het 'Hollands Arcadia' werd zo vormgegeven. Juist de strakke, geometrische indeling van de Beemster paste goed in de heersende mode voor tuinontwerpen, de zg. Franse landschapsstijl. Als in de loop van de achttiende eeuw de meer romantische Engelse stijl in zwang komt, met slingerende paden, hoogteverschillen en doorkijkjes, raakt de Beemster uit de gratie.

 

Het bezit en onderhoud van een buitenplaats werd steeds meer een niet geringe kostenpost. De herenhuizen brachten na zo'n anderhalve eeuw veel onderhoudskosten met zich mee, de slechte tijden in de landbouw met de verschillende veepest-epidemieën eisten hun tol. We zien dan ook dat in de tweede helft van de achttiende eeuw steeds meer patriciërs hun landerijen in de Beemster van de hand doen. De economische malaise in de Franse tijd was voor de resterende buitens veelal de nekslag.

 

Degenen die de landerijen kochten, in veel gevallen de pachtboer zelf, hadden geen belang bij de instandhouding van het herenhuis. Die werden dan ook op grote schaal gesloopt. Zo beschrijft Jan Switser in zijn levensverhaal hoe hij in opdracht van de Amsterdamse regent Jan Bernd Bicker in 1778 Volgerlust (BK95) aan de Volgerweg kocht en voor ƒ 4500 de opstallen van hem overneemt op voorwaarde deze binnen twee jaar te slopen. Aan de opbrengst van de materialen hield hij ruim tweeduizend gulden over. Ook kwam het vaak voor dat een erfgenaam, soms ver van de Beemster woonachtig, geen emotionele band meer met het landgoed had en het van de hand deed. In 1819, twee jaar na de dood van dijkgraaf Frederik Alewijn de jonge, de laatste bewoner, lieten de erfgenamen Vredenburgh afbreken.

 

Uit het onderzoek naar de Beemster buitenplaatsen dat ten grondslag lag aan deze website, is gebleken dat elf buitens al vóór 1750 waren verdwenen, 25 tussen 1750 en 1800 werden gesloopt en vijf in de periode tot 1810. Er zijn er nog twee over: Belvliet aan de Oostdijk en Jupiter, inmiddels Rustenhoven genaamd, aan de Volgerweg.

 

Buitenleven

De families brachten meestal in de zomer enkele weken tot maanden op de buitenplaats door. Het huishouden werd eigenlijk verplaatst naar het buitenhuis. Dienstboden, kleding en soms wat meubilair gingen mee. Het buitenleven was rustig en gezond. Men kon zo de in de zomermaanden warme en stinkende stad ontvluchten. Door de geregelde postvoorziening over de Zesstedenroute, via de trekschuit tussen Amsterdam en Hoorn en de straatweg tussen Hoorn en Enkhuizen, konden de heren goed op de hoogte blijven van hun zaken. De route bood tevens uitkomst als ze wegens bestuurlijke of zakelijke verplichtingen snel terug moesten naar de stad. Maar men genoot er vooral van het hectische stadsleven te kunnen ontvluchten, zoals blijkt uit het Lofdicht op zijn buiten van de Hoornse regent Joan van Akerlaken: "Hier kan men vrijer op zijn Levensrollen staaren (…), De moeilijkheeden in de stad ons aangedaan, Leert men in de Eenzaamheid eerst grondig regt verstaan".

 

wandelend paar wandelend paar op buitenplaats (Noord-Hollands archief)

 

De tijd buiten werd doorgebracht met wandelen, spelevaren en visites. De kinderen speelden in de tuin en bij slecht weer werd binnen vertier gezocht. Sommigen, zoals mr. Gerard Pan uit Enkhuizen herhaaldelijk beschreef in brieven aan zijn broer, hadden een "liefhebberij van hengelen". Anderen correspondeerden druk met in de stad achtergebleven familie en vrienden. Dirk Elias van Loosen beschreef het verblijf van zijn gezin op de hofstede Langewijk als "een zittend Leeven, t'samen gestelt uijt Breijnaalden, silverdraed, pijpen, Letters, en dobbelsteenen". We zien het voor ons: de dames handwerkten, de heren rookten een pijp, lazen een boek of deden een spelletje. Men ging ook regelmatig op theevisite op elkaars buiten: "met the en coffij dranck wert menig uur versleten". En zo konden regentenkinderen in een ontspannen omgeving diverse mogelijke huwelijkskandidaten ontmoeten. In één geval is het wel zeer waarschijnlijk dat er uit deze ontmoetingen op Beemster bodem een huwelijk is ontstaan. Immagonda Maria Duyvensz uit Enkhuizen trouwde namelijk in 1791 in de Beemster met Hermanus Borghorst jr. Zij moeten elkaar in de Beemster hebben leren kennen. De Amsterdamse koopmansfamilie Borghorst bezat immers ook landerijen in de Beemster, waaronder de hofstede Volgerwijk aan de Volgerweg. Ter gelegenheid van dit huwelijk werd het volgende lofdicht gemaakt:

 

"In 't klaverryke Beemsterland, vol malse vette weiden,
Gaat zomers menig stedeling zijn hart en ziel verblijden.
De plaatsen, die de rijkdom daar gesticht heeft, en 't genoegen
't Geen vee en geld en gulheid geeft, dan vreugd bij vreugde voegen.
Hier praalen Belvliet, Volgerwijk en Jagerslust, hier kunnen
't Hof, Beemsterlust en Vredenburgh ons waare vreugde gunnen
Ja menig schoone buitenplaats verzadigt hier de zinnen
Daar Borghorst, Duyvensz, Alewijn en anderen 't land beminnen."

 

Uiterlijk

Hoe de meeste buitenhuizen eruitzagen, is niet bekend. Er zijn vrijwel geen contemporaine afbeeldingen van en ze zijn bijna allemaal gesloopt. Sommigen waren grote landhuizen zoals Vredenburgh en Zwaansvliet. Deze werden meestal gebouwd door vooraanstaande architecten. Zo liet de bouwheer van Vredenburgh, Frederik Alewijn, zelfs twee architecten bouwtekeningen maken. Uiteindelijk koos hij het ontwerp van Pieter Post, maar beide plannen zijn bewaard gebleven.

 

Maar lang niet alle buitens hadden deze allure. Uit omschrijvingen in de bronnen als "een herenhuis" en "een hofstede" kunnen we afleiden dat deze huizen meer waren dan alleen een boerderij met een heerschapskamer. Doorgaans werden boerderijen namelijk "huijsmanswoning" genoemd. Mogelijk waren het boerderijen met een er al dan niet aan vast gebouwd voorhuis van enig aanzien. Een nog bestaand voorbeeld hiervan is Belvliet aan de Oostdijk, bijna twee eeuwen in bezit van een Enkhuizer regentenfamilie.

 

In het verpondingsregister uit 1733 kunnen we iets meer te weten komen over de grootte van de buitens aan de hand van de hoogte van de aanslag. Vier buitenplaatsen werden aangeslagen voor ƒ 80, de hoogste categorie in de Beemster. Hieronder vinden we Vredenburgh en Zwaansvliet. Twaalf werden voor ƒ 50 en ƒ 60 aangeslagen, dat zijn ook grote huizen geweest. Middelgrote huizen vinden in de categorie ƒ 40 (5 stuks) en ƒ 30 (10 stuks). Een gewone stolpboerderij werd aangeslagen voor ƒ 20. Er zijn echter nog 22 “plaisirhuijsen” die voor een lager bedrag werden aangeslagen. Deze categorie is het moeilijkst te duiden. Waren het een soort theekoepeltjes of tuinhuisjes? Of zijn dit de boerderijen met een heerschapskamer? Ook een herenboerderij als De Eenhoorn werd als “plaisirhuijs” getaxeerd, omdat het in gebruik was als buiten voor een Edamse burgemeester.

 

Identificatie

Uit het voorgaande blijkt al dat het beantwoorden van de vraag ‘wat is een buitenplaats geweest’ ingewikkelder is dan op het eerste gezicht lijkt. In de Archeologienota Beemster uit 2003 luidt de definitie op blz. 57:

 

"landhuis met bijgebouwen, tuin en park, dat is gesticht om voor kortere of langere tijd op het platteland te vertoeven, dienend als statussymbool en voor het beheer van aan de buitenplaats verbonden landerijen of industriële bedrijven."

 

Dit is op zich een heldere omschrijving. Maar hoe vertalen we deze 21ste-eeuwse opvatting naar de realiteit van de 17e en 18e eeuw? Het probleem zit namelijk in het begrip landhuis dat in historische bronnen niet voorkomt.

 

De belangrijkste bronnen voor deze periode zijn de transportregisters en de verponding van 1733. In de transportregisters die (met hiaten) van 1612-1811 lopen, werden alle overdrachten van onroerende goederen (verkoop, vererving, hypotheken) vastgelegd. De verponding is een belasting op onroerende goederen. Met name in laatstgenoemde bron worden de buitenplaatsen duidelijk zichtbaar omdat ze apart worden aangeslagen. Een kavel met daarop een "plaisirhuijs" én een boerderij werd tweemaal opgenomen. Een boerderij wordt altijd aangeduid als "boere huijs". In de transportregisters wordt een landhuis meestal omschreven als "hofstede" of "herenhuijs"; een boerderij is een "huijsmanswoning" of kortweg "huijsinge". De bijbehorende boomgaard is een "plantagie". Op deze manier kunnen we proberen te achterhalen waar 'echte' buitenplaatsen waren. Er blijven echter twijfelgevallen omdat de bronnen niet altijd eenduidig zijn en er, helaas, vrijwel geen afbeeldingen zijn overgebleven. Vooral de categorie boerderijen met een heerschapskamer waar de eigenaar de zomermaanden doorbracht, is moeilijk te duiden. Zo staat boerderij De Eenhoorn (BK57) in de verponding wel aangeduid als “plaisirhuijs” omdat de eigenaar, een Edamse burgemeester, er een heerschapskamer bezat. Het gaat echter in dit geval duidelijk niet om een buitenplaats dus is deze kavel niet op deze website opgenomen.

 

kopergravure Afdruk van de kopergravure van Balthasar Florisz van Berkenrode, 1644 (gemeente Beemster)

 

In de Archeologienota is een lijst opgenomen van buitenplaatsen. Deze lijst is vrijwel uitsluitend gebaseerd op de kaart uit 1644 van Balthasar Florisz van Berkenrode, in de Beemster ook wel bekend als de Kopergravure, en niet op historische bronnen. Het lijkt er op dat kennelijk alles met een flinke boomgaard is meegeteld als buiten. Bovendien zijn buitens van ná 1644, zoals Boschrijk, niet meegenomen. Andere publicaties en websites die deze nota ten grondslag hebben, bevatten dus dezelfde onvolkomenheden.

 

Uit het historisch onderzoek dat aan deze website ten grondslag ligt, is gebleken dat van de 55 boerderijen in de Archeologienota, er 21 volgens bovenstaande definitie geen buitenplaats waren en 34 wel. Daarnaast ontbreken 15 buitenplaatsen, die dat om die reden wel zijn geweest. Deze website beschrijft daarom 49 buitenplaatsen. Daartoe heb ik in alle bronnen gezocht naar bovengenoemde omschrijvingen én de gevonden kavels eventueel nog bekeken op de Kopergravure. Tot slot ben ik waar nodig de situatie bij de invoering van het Kadaster in 1832 (nb. de bijbehorende minuutplan dateert uit 1813) nagegaan.

 

 

 

 

Design downloaded from free website templates.