AK59-60 Huis Oostwijk Hobrederlaan t/o 1

AK59-60 Huis Oostwijk

 

Op 30 juli 1612 vond op het Slot te Purmerend de verloting plaats van de kavels van de Beemster onder diegenen die zich hadden ingeschreven als participanten in de droogmaking en er naar rato van hun inschrijving aan hadden meebetaald. Bij deze loting wordt de Arenberger kavel AK60, groot 20 morgen, toebedeeld aan François Boudewijns (1580-1653), een koopman uit Amsterdam. Hij was oorspronkelijk uit Vlaanderen afkomstig, maar had zich na de val van Antwerpen in 1585 in Amsterdam gevestigd. Bij de droogmaking van de Beemster waren uitzonderlijk veel Zuid-Nederlanders betrokken, waarschijnlijk behorend tot de kring van Dirck van Oss, de initiatiefnemer en grootste investeerder in het project, die eveneens uit Antwerpen kwam. De naastgelegen kavel AK59 werd in twee delen van 10 morgen verloot aan Abraham Boom en Nicolaas van Bambeeck.

 

Waarschijnlijk heeft Boudewijns binnen korte tijd de buurkavel gekocht. Hij voegde beide kavels samen en bouwde op de hoek van de Purmerenderweg en de Hobrederlaan een hofstede. Op de betrouwbare kaart van Balthasar Florisz van Berckenrode uit 1644 is op de kavel AK60 een hofstede met tuinen te zien.

 

François Boudewijns was getrouwd met Lucretia del Prado. Ze kregen tien kinderen. Boudewijns vermogen werd in 1631 geschat op ƒ 100.000. Hij was vanaf 1625 hoofdingeland van de Beemster. Hij werd echter in 1651 afgezet omdat hij zijn grond had verkocht. Het bezit van minimaal 20 morgen was immers een voorwaarde voor lidmaatschap van het polderbestuur. Op 10 maart 1651 verkocht Boudewijns aan zijn schoonzoon Cornelis van Bambeeck (1602-1656), getrouwd met Lucretia Boudewijns, het huis 'Oostwijck met verder getimmerte, plantagie en 41m.587r. land' voor ƒ 40.000. De volgende akte bevat een overeenkomst tussen koper en verkoper dat verkoper en zijn dochter gedurende hun leven het gebruik van het goed behouden en dat koper het pas na hun dood evt. mag verkopen.

 

Na de dood van Cornelis van Bambeeck, koopman te Amsterdam, kwam zijn landbezit volgens de bepalingen in zijn testament aan zijn broer Nicolaas van Bambeeck jr. Ten behoeve van de successiebelasting werden de landerijen nagelaten door Cornelis van Bambeeck getaxeerd in 1656, waarbij de 37m.96r. land met ‘huijsinge en plantagie’ (AK59-60) werd geschat op ƒ 950 pmg dus ƒ 35.302.

 

Nicolaas van Bambeeck de jonge (1596-1661) was een zoon van Nicolaas van Bambeeck de oude (c.1570-1615), koopman te Leiden daarna Amsterdam, uit Poperinge in Vlaanderen afkomstig. Deze was in 1608 hoogheemraad van de Beemster en kwam na de overstromingsramp van 1610, toen de net drooggevallen polder weer onderliep en men nieuw kapitaal nodig had om opnieuw te beginnen, in het college van hoofdingelanden. Hij trouwde te Leiden op 30 mei 1591 met Elisabeth van der Belle. Hun zoon Nicolaas erfde de Beemster landerijen van zijn broer.

 

Nicolaas van Bambeeck jr. was lakenkoopman en handelaar in Spaanse wol. Hij was hoofdingeland van de Beemster 1654-1661. Hij trouwde met Agatha Bas (1611-1658), dochter van Dirck Bas en Grietjen Jans Snoeken. Dirck Bas was een zeer rijke koopman, mede-oprichter van de VOC in 1602 en belangrijk lid van het Amsterdamse stadsbestuur. Ze kregen zes kinderen.

Nicolaas en Agatha woonden in Amsterdam op de Kloveniersburgwal (nu nr. 77). Het huis was in 1650 door de bekende architect Philips Vingboons gebouwd. Het huis aan de Kloveniersburgwal heette 'De Star' naar het stamvaderlijk huis in de Warmoesstraat. De naar achteren doorlopende gang was in deze tijd nog een noviteit. Van Bambeeck dreef vooral handel in Spaanse wol en zijn huis had veel opslagruimte: twee pakkelders liepen onder het hele huis door en boven de eerste verdieping waren 'bequame Solders' te vinden uitgerust met twee hijsbalken. Achter het huis stond nog een pakhuis.

 

In 1641 heeft Rembrandt Nicolaas en Agatha geschilderd:

Nicolaas van Bambeeck Agatha Bas

 

Op 8 mei 1663 verkochten de kinderen Nicolaas, Margrieta (met haar man mr. Jan Corver, secretaris van Amsterdam), Jacoba (met haar man Heijndrick Decker), Theodora (met haar man Willem Sautijn) als erfgenamen van vader alle bezittingen in de Beemster. De kavels AK59-60, in totaal ruim 41 morgen, werden gekocht door de voogden van de minderjarige Anthony de Hooghe. Zij namen direct een kustingbrief (hypotheek) van ƒ 60.492 op het onroerend goed. Dat was flink hoger dan de waarde, want na zijn overlijden te Amsterdam op 8 maart 1672 werd dit bezit getaxeerd op slechts ƒ 650 pmg dus ƒ 26.657,50. Volgens het testament van mr. Anthony de Hooghe was zijn nicht Josina de Hooghe (1649-1684) erfgename van de hofstede genaamd Oostwijk met 41m. land (AK59-60). Haar man mr. Jacob ten Grotenhuijs (1648-1689) liet het op zijn naam overboeken. Hij was vroedschap van Amsterdam en sedert 1688 ook hoofdingeland van de Beemster. Zijn tweede vrouw was Elisabeth de Dieu, die vervolgens de kavels AK59-60 erfde. Zij liet in maart 1710 het bezit overboeken op naam van haar zoon Ludovicus ten Grotenhuijs (1688-1719). Na zijn dood verviel het weer aan zijn moeder. In 1724 overleed Elisabeth en zij liet bij testament al haar goederen na aan dochter Jacoba Elisabeth ten Grotenhuijs (1689-1767), weduwe van de Amsterdamse koopman Theodorus Boendermaker. Hij bezat een buitenplaats aan de Vecht bij Breukelen. De hofstede in de Beemster met plantagie en tuinen en land en een kavel land (AK59-60) in totaal 41 morgen werd in het testament getaxeerd op ƒ 17.000 elk, dus ƒ 34.000. Dat het een groot herenhuis was blijkt ook uit de aanslag voor de verponding: met ƒ 80 was Oostwijk een van de vier hoogst aangeslagen buitenplaatsen. Op 1 augustus 1730 verkocht Jacoba Elisabeth ten Grotenhuijs de buitenplaats Oostwijk met huijsinge en plantagie en land voor ƒ 675 pmg dus ƒ 27.682,85. Koper was Lucas Merens uit Hoorn.

 

Lucas Merens (1698-1778) was een zoon van mr. Allard Merens, vroedschap van Hoorn en o.m. hoofdingeland van de Beemster, en Cornelia van Neck. Hij trouwde met Eva Maria van Foreest.

 

Lucas Merens Eva van Foreest Lucas Merens en Eva Maria van Foreest (Westfries Museum)

 

In 1732 werd hij ook vroedschap van Hoorn, maar in de Beemster bekleedde hij geen bestuurlijke functies als gevolg van een hoogoplopende ruzie met de dijkgraaf. Aanleiding was het dichten van een sloot. Toen Merens in het voorjaar van 1733 met zijn koets, waarin hij met zijn zoontje en zijn zwangere vrouw zat, zijn buiten wilde verlaten moest de koetsier bij de poort halsbrekende toeren uithalen doordat er ‘eenige speciën’ uit de sloot op de weg waren geworpen. Het was zelfs zo ‘dat de koets sekerlijk zoud omgevallen hebben indien de Heer (Merens) niet veerdigh uijt de koets was gesprongen en deselve had ondersteunt’. Merens was furieus en begon een proces tegen dijkgraaf mr. Dirk Alewijn. Nadat hij dit verloor vervloekte hij zijn buitenplaats en weigerde er nog langer heen te gaan. Oostwijk stond jarenlang leeg en raakte geheel vervallen. Het werd een plek waar bedelaars en landlopers gebruik van maakten. Begin mei 1761 werd de 14-jarige Johannes Pietersz, geboren te Maastricht, met zijn moeder en zus en nog enkele anderen gearresteerd op verdenking van bedelarij. Getuigen verklaarden dat ze hen met een groep van acht personen over de Beemsterbrug bij Hobrede hadden zien gaan naar de ‘vervallen plaats van de heer Merens’. De groep zwierf al enige tijd in de omgeving rond, bedelend en scheldend als ze te weinig kregen en ze hadden illegaal vuur gestookt van gestolen hout en bossen riet. De bedelaars werden veroordeeld tot openbare geseling op het schavot op het Marktplein in Middenbeemster en jarenlange opsluiting in het werkhuis in Amsterdam.

 

Zo kon het niet langer. Een maand na de arrestatie van de groep landlopers stuurde Lucas Merens een rekest aan dijkgraaf en heemraden om een sloopvergunning. Hij omschrijft zichzelf hierin als eigenaar van een oud, vervallen en ingestort herenhuis in de Arenbergerpolder aan de Purmerenderweg. Het huis is onbewoonbaar en onverhuurbaar. Dijkgraaf en heemraden stuurden daarop een brief aan de Gecommitteerde Raden van het Noorderkwartier voor advies en meldden: de bedoelde herenhuizing is inderdaad bouwvallig en gedeeltelijk ingestort, totaal onbewoonbaar en “een schuylplaats voor slegt volk”. Het zou beter zijn tot afbraak over te gaan, dan hem zo te laten staan. De sloop werd toegestaan. Als de kinderen Merens in 1777 de Beemster bezittingen van hun ouders verdelen is er nog slechts sprake van een boerderij op de kavel AK60. Deze werd geërfd door mr. Meijnard Merens (1736-1802), zijn weduwe was in 1832 bij de invoering van het Kadaster nog steeds eigenaar. Op de minuutplan zien we links van de Hobrederlaan de boerderij en rechts het weiland (perceel C367) en de moestuin (C368) op de plek van de voormalige buitenplaats. Nog altijd wordt beweerd dat er ter plaatse niet te ploegen valt omdat er stenen in de grond zouden zitten…

 

AK59 minuutplan Minuutplan Kadaster, getekend in 1813 (Noord-Hollands Archief)

 

 

 

 

Design downloaded from free website templates.