BK1 Beemsterlust Volgerweg 50

BK1

 

Op 30 juli 1612 vond op het Slot te Purmerend de verloting plaats van de kavels van de Beemster onder diegenen die zich hadden ingeschreven als participanten in de droogmaking en er naar rato van hun inschrijving aan hadden meebetaald. Bij deze loting wordt de Binnenkavel 1, groot 20 morgen, toebedeeld aan Jan Poppen (1545-1616). Deze Amsterdamse koopman kwam oorspronkelijk uit Holstein. Hij raakte al in de jaren 1590 betrokken bij de compagnieën die op Oost-Indië gingen handelen. Bij de oprichting van de VOC in 1602 nam hij voor ƒ 12.000 aandelen en werd als een van de bewindhebbers aangesteld. Hij was een grote investeerder in de droogmaking van de Beemster en verkreeg 290 morgen land. Zijn zoon Jacob Poppen, die zelf ook investeerde in het project en 113 morgen kreeg, erfde de landerijen van zijn vader.

 

Jacob Poppen

Jacob Poppen (1576-1624) was sedert 1609 lid van de vroedschap van Amsterdam en werd driemaal tot burgemeester gekozen. In 1618 werd hij bewindhebber van de VOC. Ook was hij als een der ondertekenaars van het rekest vanaf het begin betrokken bij de droogmaking van de Beemster. Derhalve was hij hoofdingeland. Poppen was een zeer rijke koopman, zijn nalatenschap bedroeg ruim 900.000 gulden. In 1634 werden op verzoek van de voogden van Jacob’s minderjarige kinderen, Elisabeth en Joan, zijn landerijen in de Beemster getaxeerd: hij bezat ruim 440 morgen die zo’n ƒ 471.000 waard was.

De grote hofstede met bijbehorend land aan de Volgerweg werd geschat op ƒ 46.970. Het vererfde op zoon Joan.

 

Kloveniersburgwal

Joan Poppen (1617-1654) bekleedde in Amsterdam geen bestuurlijke functies omdat hij net als zijn moeder rooms-katholiek was. Hij was wel hoofdingeland van de Beemster. In Amsterdam liet hij in 1642 op de Kloveniersburgwal een huis bouwen, genaamd ‘De Gulden Steur’, ontworpen door de veel gevraagde architect Philips Vingbooms.

 

 

 

 

 

 

Joan Poppen trouwde met Elisabeth van der Wiele van der Werve. Hun zoon Jacob was de enige erfgenaam.

 

Jacob Poppen (c.1640-1694) was eveneens rooms-katholiek. Hij werd in 1668 hoofdingeland van de Beemster, waar hij naast Beemsterlust nog diverse andere kavels bezat. Hij had echter ook een grote buitenplaats Over-Holland in Maarssen, waar hij vrijwel continu verbleef. Het verhaal gaat dat Jacob Poppen zich daarvandaan dagelijks naar Amsterdam liet vervoeren per koets met telkens een ander span paarden ervoor. Hij trouwde met Catharina Cromhout (1646-1734) die onder andere Beemsterlust van hem erfde. In het verpondingsregister van 1733 blijkt de buitenplaats aangeslagen te worden voor ƒ 60, een vrij groot huis.

 

Na de dood van Catharina vererfde Beemsterlust met 11 morgen land op zoon Jan Poppen (c.1670-1738). Hij liet het volgens zijn testament als legaat na aan Jan Adriaan de Wit, priester te Antwerpen. Deze verkocht het in 1739 voor ƒ 6160 aan Maarten Beets, Jan Blauw, Pieter Pergerrits en Jan Bollebacker. Twee jaar later kocht Jan Bollebacker, president-schepen van de Beemster, de drie anderen uit voor ƒ 3750. Hij liet het bij testament na aan zijn vrouw Trijntje Dirks Slinger, eerder weduwe van Pieter Pergerrits, en haar minderjarige kleindochter Trijntje Pergerrits, ieder voor de helft. Zij verkochten Beemsterlust in december 1743 voor ƒ 7150 aan Willem Groot, houtkoopman te Westzaandam. Zijn erfgenamen lieten de hofstede op 17 mei 1763 in een openbare veiling in de Stads Doelen te Purmerend verkopen. De koper, Claas de Jong te Westzaandam, betaalde ƒ 9400. Hij ging echter enkele jaren later failliet zodat de curators de “hofstede 'Beemsterlust' met land, tuinsieraden en gereedschappen” wederom lieten veilen. Ditmaal was de koper Maria van Tarelink, weduwe van Jan Borghorst, te Amsterdam; zij betaalde ƒ 10.950.

 

Maria van Tarelink (1719-1795) was bekend met het buitenleven in de Beemster. Haar schoonfamilie bezat Volgerwijk (BK3). Haar man werd een jaar voor zijn dood in 1755 tot hoofdingeland gekozen. Maria liet de tuin van Beemsterlust deels opnieuw inrichten naar de laatste mode, de Engelse landschapstijl.

 

Tuinontwerp Ontwerp voor de nieuwe tuin van Beemsterlust (Provinciale Atlas Noord-Holland)

 

In 1797 verkochten de executeurs-testamentair van Maria van Tarelink in een openbare veiling in de Beemster voor ƒ 7500 de hofstede met 11 morgen land aan Jan van Wallendal te Edam.

 

veiling Klik om te vergroten

 

Jan van Wallendal (1738-1810) was schepen van Edam geweest en was dijkgraaf van de Purmer. Nog geen twee jaar later deed hij het huis Beemsterlust met tuinhuis, stal en opstallen en bijna 5 morgen land alweer van de hand. Voor slechts ƒ 3000 werd Jan Kooij te Beemster eigenaar. Hij bezat al het westelijke deel van de kavel BK1.

 

Op 15 oktober 1801 dienden Adriaan en Jan Kooij een verzoek in om het ‘heerschaps optrek ofte zomer verblijff’ te mogen slopen. De heren lieten zich steeds minder in de polder zien en dergelijke gebouwen konden niet door gewone burgers worden bewoond want het onderhoud was duurder dan de inkomsten. Omdat de aanvragers beloofden de verponding in zijn geheel te blijven betalen, stemde de municipaliteit met de sloop in. Als Jan van Wallendal in 1806 de rest van de grond verkoopt, is er sprake van grasland gelegen "achter de gewezen hofstede Beemster Lust". Toch was niet alles direct verdwenen: op de minuutplan van het kadaster, getekend in 1813 zijn de waterpartijen van het buiten nog zichtbaar.

 

kadaster

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Minuutplan Kadaster, getekend in 1813 (Noord-Hollands Archief)

 

 

 

 

Design downloaded from free website templates.