BK48-49 Het Spaanse Huis Jisperweg 98

BK48-49

 

Bij de verloting van de kavels in de zojuist drooggevallen Beemster op 30 juli 1612 in het Slot te Purmerend verkregen de broers Jan en Philips van der Straten elk 10 morgen in de BK48. De gebroeders Hendrick en Dirck van Oss verwierven BK49. Alle vier waren oorspronkelijk afkomstig uit Antwerpen. Na de val van de stad in 1585, waardoor Antwerpen weer onder Spaans bewind kwam, zijn veel protestanten naar de Noordelijke Nederlanden gevlucht. Het merendeel kwam in Amsterdam terecht, waar velen hun handelsactiviteiten voortzetten.

 

van Oss Dirck en Hendrick van Oss

 

De vader van Jan en Philips van der Straten was koopman en lakenhandelaar in Antwerpen. Vader Van Oss was tapissier, dat wil zeggen hij bezat een tapijtweverij. Met hun handelsgeest wisten de Antwerpenaren veel geld te vergaren, waardoor zij naar goede investeringsmogelijkheden, zoals grond, zochten. Dirck van Oss was een van de drijvende krachten achter de drooglegging van de Beemster. Samen met zijn broer, de 'stille vennoot' Hendrick, tekende hij in op 1/7 van het nieuwe land.

 

De kavel BK49 deden zij echter na een jaar van de hand. Philips van der Straten had inmiddels ook de helft van zijn broer al verworven. Eind 1613 is hij dus de eigenaar van beide kavels BK48-49, die daarna bijeen zijn gebleven.

 

Philips van der Straten raakte ook op andere wijze gelieerd aan de familie Van Oss. In 1622 trouwde hij met Margaretha van Oss, een dochter van Dirck. Zij kregen twee kinderen. Na de dood van Margaretha hertrouwde Philips in 1637 met Maria Elisabeth Jore, weduwe van Cesar le Bruijn. Intussen ging het in financieel opzicht niet zo goed met de zaken van Philips van der Straten. Vanaf 1624 nam hij regelmatig hypotheekleningen op zijn landerijen, ook op de BK48-49. Al in 1626 sloot hij de eerste lening op dit onderpand, in 1630 leende hij eerst  24.000 en enkele maanden later nog eens  3000, in 1635  16.000, twee jaar later nogmaals  3000. Het mocht kennelijk niet baten, want in december 1639 verkocht hij de kavels aan Elisabeth Coymans (1596-1653), weduwe van Johan Deutz.

 

Wanneer het huis is gebouwd, wordt uit de overgebleven bronnen ook niet duidelijk. Maar op de zeer nauwkeurige kaart van Balthasar Florisz van Berckenrode uit 1644 is al bebouwing te zien, alsmede de 'plantagie'. Wat opvalt is dat het hoofdgebouw geen stolpboerderij is. Vermoedelijk was het een zgn herenhuis met een boerenstolp erachter. Uit de boekhouding van Elisabeth Coymans blijkt dat er in 1649 druk werd gebaggerd, er kwam een schuit zand en er werd een vijver aangelegd, waarin zon duizend vissen werden uitgezet. Ook werden er 110 essen en iepen geplant.

 

BK48 detail BK48 op de kaart van Balthasar Florisz van Berckenrode uit 1644

 

Ook de familie Coymans was afkomstig uit Antwerpen. Elisabeth's vader Balthasar Coymans was de stichter van het Amsterdamse handelshuis. Zij trouwde met Johan Deutz die uit Keulen afkomstig was. Ze kregen twaalf kinderen onder wie Josephus Deutz die dijkgraaf van de Beemster was van 1676 tot 1684. Na de dood van Elisabeth Coymans verdeelden de nog in leven zijnde kinderen haar nalatenschap, waarbij aan de jongste dochter Agnetha Deutz de BK48-49 toeviel.

 

Agnetha Deutz

 

Agnetha Deutz (1633-1692) was getrouwd met Gerard Meerman, raad in de vroedschap van Delft en hoofdingeland van de Beemster 1654-1668. Haar naam leeft in de Beemster voort in Het Deutzenhofje aan de Neckerweg. Op latere leeftijd onterfde zij nl. haar enige zoon Jan Meerman die niet wilde deugen, en liet al haar bezittingen na aan een op te richten hofje dat in Amsterdam werd gesticht. Daartoe behoorde ook de kavel AK13 waar nu de boerderij Deutzenhofje staat.

 

 

De BK48-49 hoorde daar echter niet bij omdat Gerard Meerman op 8 mei 1663 de "huijsinge genaemd Het Spaense Huijs met plantagie en landerijen" verkocht aan Jean Loten voor  50.000. Hier komt de naam voor het eerst in de bronnen voor, maar waar die vandaan komt is niet duidelijk.

 

Jean Loten

Jean Loten (1612-1676) was geboren in Amsterdam maar zijn vader Charles Loten kwam uit Brugge. Charles Loten was een rijk, vooraanstaand koopman in Amsterdam. Hij bezat een buitenplaats aan de Volgerweg in de Beemster waar Joost van den Vondel regelmatig logeerde wat hem inspireerde tot zijn Lofzang op de Beemster. Zoon Jean was hoofdingeland van de Beemster en dijkgraaf vanaf 1666. Hij erfde de hofstede aan de Volgerweg van zijn vader. Jean Loten trouwde eerst met Elisabeth Hellinx (1612-1635) en daarna met Apollonia Seleijns (1625-1670). Van hun kinderen erfde dochter Maria Loten het Spaanse Huijs bij de verdeling van de nalatenschap in 1677.

 

Maria Loten (1652-1700) trouwde met mr. Hermannus Rendorp (1647-1724), zoon van mr. Joachim Rendorp, vroedschap en burgemeester van Amsterdam. Hij bezat een brouwerij in Amsterdam en was hoofdingeland van de Beemster vanaf 1693. Of hij veel in de Beemster is geweest, is de vraag daar hij ook een buitenplaats bij Velsen bezat. Dat gebied was toen erg in de mode: zijn oudere broer Pieter Rendorp kocht het Huis Marquette in Beverwijk. Van de kinderen van Hermannus en Maria erfde dochter Apollonia de BK48-49.

 

Apollonia Rendorp (1682-1758) trouwde met Balthasar Boreel (1673-1744), zoon van mr. Jacob Boreel en Isabella Coymans. Balthasar was net als zijn vader vroedschap van Amsterdam. Ook was hij bewindhebber van de VOC en vanaf 1723 hoofdingeland van de Beemster. Het huwelijk bleef kinderloos. Balthasar Boreel staat in het verpondingsregister van 1733 als eigenaar vermeld. Dan is slechts sprake van een boerehuijs. Waarschijnlijk is de hofstede al in de zeventiende eeuw verdwenen toen er eigenaars kwamen die elders buitens bezaten.

 

 

 

 

Design downloaded from free website templates.