DK55 Pannehuijs Westdijk 39

DK55

Op 30 juli 1612 vond op het Slot te Purmerend de verloting plaats van de kavels van de Beemster onder diegenen die zich hadden ingeschreven als participanten in de droogmaking en er naar rato van hun inschrijving aan hadden meebetaald. Bij deze loting wordt de Dijkkavel 55 aan de Westdijk toebedeeld aan Jan Hermansz, koopman te Amsterdam. Hij was mede-oprichter van de VOC in 1602 en bewindhebber. In 1635 vererfde het op zijn enige dochter Aef Jans. Zij was getrouwd met Gijsbrecht de Coningh. Ook hij was een Amsterdamse koopman. Hij bezat de naastgelegen kavel DK56 al.

 

In 1644 verkocht hij het huis met de landerijen aan Elisabeth Coymans (1596-1653), weduwe van Johan Deutz. Hij was geboren in Keulen en vestigde zich begin zeventiende eeuw als koopman in Amsterdam. In 1614 trouwde hij met Elisabeth wier vader afkomstig was uit Vlaanderen en in Amsterdam het handelshuis Coymans had gesticht. Het paar kreeg veertien kinderen. Na de dood van Elisabeth verdeelden haar kinderen haar nalatenschap waarbij het huis met bijna 40 morgen land vererfde op zoon Joseph.

 

 

 

 

 

Jacobus Deutz

Joseph Deutz (1624-1684) was koopman. Hij handelde onder andere in pek en teer. Hij was sinds 1665 hoofdingeland van de Beemster en werd in 1676 dijkgraaf. Vanaf 1669 raakte hij betrokken bij de vetweiderij. In compagnieën met diverse anderen werden honderden ossen in Denemarken gekocht die zich op de Beemster weilanden vet aten en vervolgens werden geslacht. Sinds 1670 verbleef hij regelmatig gedurende langere tijd in de Beemster, waar hij op zijn buiten een visvijver aanlegde en citrus-, laurier- en jasmijnbomen uit Genua liet komen.

 

Joseph Deutz (Rijksmuseum)

 

Hij had er een calčche, een speelwagen en tal van ander rijdend materieel en bootjes om zich mee te verpozen, alsmede tien geliefde paarden (met naam en toenaam genoemd), zo blijkt uit de boedelbeschrijving bij zijn overlijden, op zijn landgoed in de Beemster, in 1684. Hij trouwde met Lucretia Ortt, het huwelijk bleef kinderloos.

 

Zijn erfgename was zijn zuster Agneta Deutz (1633-1692), de enige nog in leven zijnde zuster. Na haar dood kwam de hofstede met land in bezit van mr. Elias Coymans.

 

Mr. Elias Coymans (1653-1731) was een neef van Joseph Deutz en hield zich ook bezig met de ossenweiderij. Hij trouwde met Isabella Catharina van der Muelen (1660-1719). Hij werd in 1684 hoofdingeland van de Beemster. Hij staat in het verpondingsregister van 1733, opgesteld in 1731, nog als eigenaar vermeld. Het “plaisirhuijs” werd daarin aangeslagen voor ƒ 40, wat duidt op een middelgroot huis. Het was echter intussen vererfd op zijn enige dochter Constantia Aletta Coymans (1685-1744), die was getrouwd met Balthasar Scott, vroedschap en burgemeester van Amsterdam en hoofdingeland van de Beemster. Zij bezaten al een hofstede in de Watergraafsmeer. Derhalve verkochten zij het Pannenhuijs met 20 morgen land voor ƒ 12.000 aan Cornelis van Neck, voor een kwart, en zijn vrouw Neeltje Honigh, voor driekwart.

 

Cornelis van Neck (1683-1740) was vroedschap en burgemeester van Purmerend. Nadat zijn eerste vrouw in het kraambed van hun zesde kind was gestorven, hertrouwde hij de weduwe Neeltje Honigh (1680-1741), dochter van een Zaanse papierfabrikant. Samen kregen ze nog een dochter. Het kwart van Cornelis vererfde op zijn kinderen die het voor ƒ 2750 verkochten aan hun (stief)moeder. Na haar dood erfde haar zoon uit haar eerste huwelijk, Pieter van der Leij, koopman te Purmerend, de hofstede. Hij verkocht deze in 1743 aan Jan Swaen. Bij de volgende vermeldingen in de transportregisters is geen sprake meer van een hofstede, maar slechts van een boerderij.

 

 

 

Design downloaded from free website templates.