PK17 Volgerweg 69

PK17

Op 30 juli 1612 vond op het Slot te Purmerend de verloting plaats van de kavels van de Beemster onder diegenen die zich hadden ingeschreven als participanten in de droogmaking en er naar rato van hun inschrijving aan hadden meebetaald. De Purmerenderkavels 17, 18 en 19 werden aan verschillende eigenaars toebedeeld. In 1623 kwamen ze in bezit van één eigenaar, Charles Loten.

 

Charles Loten (1574-1652) was geboren in Brugge. Zijn vader vestigde zich na zijn vlucht uit Vlaanderen als koopman in Leiden. Charles ging naar Amsterdam en stichtte daar een handelshuis. In 1621 werd hij bewindhebber van de West-Indische Compagnie. Sedert 1638 was hij hoofdingeland van de Beemster. Hij is waarschijnlijk de bouwheer van de hofstede op PK19.

 

Na de dood van Charles verdeelden zijn twee kinderen in 1653 de erfenis, waarbij de hofstede in bezit kwam van zoon Jean.

 

pk17_jean_loten

Jean Loten (1612-1676) was ook koopman in Amsterdam waar hij op de Herengracht woonde. Hij werd in 1653 hoofdingeland van de Beemster en in 1666 werd hij dijkgraaf. Zijn eerste vrouw was Elisabeth Hellinx, erfgename van haar vader Jan die een van de eerste investeerders in de droogmaking was. Zij stierf in het kraambed. Jean hertrouwde met Apollonia Seleijns. In 1642 verwierf hij de tegenoverliggende kavel BK93 die vanaf dat moment bij de hofstede hoorde. Na zijn dood kwam de hofstede op PK19 aan de zoons Joan en Abraham Loten. Enkele jaren later deed mr. Joan Loten (1646-1724) zijn helft over aan zijn broer.

 

Jean Loten, dijkgraaf van de Beemster

 

Mr. Abraham Loten (1647-1727) was een welgestelde Amsterdamse koopman. Hij was ook schepen en weesmeester van de stad. Hij was sedert 1694 hoofdingeland van de Beemster. Het buiten is beschreven in een boedelinventaris die na zijn dood werd opgemaakt. Daaruit blijkt dat er op de begane grond diverse vertrekken waren: een eetkamer, een grote zijkamer, de slaapkamer van Abraham met een klein kamertje erachter, een kleine slaapkamer, een klein ‘voorhuis” en de keuken. Boven waren een boekenkamer, een meidenkamer, een provisiekamertje en twee slaapkamers. Verder waren er een stal, met een bedstede voor de koetsier, een wagenhuis, met onder andere twee koetsen, een sjees en een speelwagen, en een speelhuisje.

 

In 1728 verdeelden zijn twee dochters de nalatenschap van hun vader waarbij de hofstede met 25 morgen land werd toebedeeld aan oudste dochter Anna Apollonia Loten (1694-1755). Zij was getrouwd met François van Harencarspel.

 

François van Harencarspel (1685-1756) was heer van Beverwijk waar hij een hofstede bezat. Van 1732 tot 1737 was hij hoofdingeland van de Beemster. In 1746 werd hij lid van de vroedschap van Amsterdam. Hij staat ook in het verpondingsregister van 1733 als eigenaar vermeld. Het “plaisirhuijs” werd daarin aangeslagen voor ƒ 60, wat duidt op een vrij groot herenhuis. In 1736 verkochten François en zijn vrouw de hofstede met land aan Cornelis van Foreest uit Hoorn voor ƒ 19.500.

 

pk17_Cornelis_van_Foreest pk17_Maria_Eva_van_Akerlaken

 

Cornelis van Foreest en Maria Eva van Akerlaken (Stedelijk Museum Alkmaar)

 

Mr. Cornelis van Foreest (1704-1761) was vroedschap en burgemeester van Hoorn. In 1750 werd hij bewindhebber van de VOC in Hoorn. Sedert 1743 was hij hoofdingeland van de Beemster, welke functie hij begin 1761 verloor omdat hij bij leven al zijn Beemster landerijen aan zijn zoons had geschonken, waardoor hij “zijn radicale qualiteijt heeft verloren”. Hij had de hofstede in 1759 geschonken aan zijn jongste zoon Joan. Samen met zijn oom Nanning was Cornelis van Foreest was hij erfgenaam van het fortuin van de familie Van Egmond van de Nijenburg. Hij kreeg onder meer de heerlijkheden Schoorl en Camp. Hij was getrouwd met Maria Eva van Akerlaken (1705-1736), zij stierf in het kraambed van haar zevende kind. Pas vijftien jaar later hertrouwde Cornelis, met Maria van Hoolwerff.

 

Agatha van Foreest

Joan van Foreest (1733-1766) was na de dood van zijn vader in 1761 in de vroedschap van Hoorn gekomen. Ook werd hij hoofdingeland van de Beemster. Hij trouwde met zijn nicht Agatha van Foreest (1733-1801). Zij was zwanger van hun negende kind toen Joan plotseling bezweek aan de pokken.

 

Joan en Agatha van Foreest (Iconografisch Bureau)

 

Als boedelhoudster bleef zij eigenaresse van de buitenplaats. Ze verbleef er een groot deel van het jaar. Enkele jaren later kondigde Agatha aan te willen hertrouwen. Een schandaal was geboren, want haar keus was gevallen op Jan Schenk, haar zeven jaar jongere huisknecht van eenvoudige komaf en nog katholiek ook. Het paar zou al enige tijd amoureuze betrekkingen onderhouden waardoor huispersoneel ontslag had genomen. Haar oudste zoons, 19 en 17 jaar oud, haastten zich naar de Beemster waar zij met ontblote sabels Jan van het erf joegen. Ondanks alle tegenstand zette Agatha door. De schrijfster Betje Wolff, die als domineesvrouw in de Beemster het nieuws van nabij volgde, vond haar een heldin, omdat zij haar hart volgde. Uiteindelijk werd het huwelijk in juni 1775 voltrokken.

 

Agatha van Foreest

Na dit huwelijk werd een overeenkomst gesloten met de voogden van de kinderen. De erfenis van Joan werd verdeeld, waarbij de “hofstede met herenhuijs, stal, wagenhuis, beplanting en land” aan dochter Catharina van Foreest (1763-1837) toeviel. Agatha en Jan trokken zich terug op Vredeveld, schuin tegenover de hofstede. In 1778 kocht Agatha de buitenplaats terug van de voogden van haar minderjarige dochter, voor ƒ 18.000. In april 1800 verkocht zij, inmiddels opnieuw weduwe geworden, de buitenplaats met nog maar 5 morgen land aan Pieter van Tessel en Simon van Riel, beiden uit Oosterblokker.

 

 

Agatha van Foreest (Westfries Museum)

 

Zij begonnen onmiddellijk met de sloop van het herenhuis. Dit was echter in strijd met eerder opgestelde plakkaten, zodat de municipaliteit ingreep en een sloopverbod oplegde. Van Tessel en Van Riel dienden daarop een rekest in en beriepen zich op bouwvalligheid van de buitenplaats. De municipaliteit wees dit van de hand: er was nooit iets gebleken van bouwvalligheid toen Agatha er woonde. Het nieuwe gebouw dat de heren er wilden neerzetten zou qua waarde in het niet vallen bij de huidige buitenplaats wat in de publicatie van 1797 als voorwaarde was gesteld. Dat de heren voorwendden deze niet te kennen was onzin: Van Tessel was nl. schout van Oosterblokker. De heren gaven in een nieuw verzoek te kennen dat ze twee woningen in plaats van de buitenplaats wilden zetten en dat ze handelden uit een ‘menschlievend oogmerk’. Door het weghalen van de bomen zou 5 morgen land vrijkomen voor tuinbouw, waarin diverse mensen hun brood konden verdienen. De municipaliteit bestreed dit en was van mening dat deze projectontwikkelaars avant-la-lettre niet handelden uit menslievendheid, maar dat zij hoopten een stevige som te kunnen maken. Ze zouden ook absoluut niet van plan zijn iets van gelijke waarde te bouwen. Er kwam uiteindelijk een compromis en de sloop van het herenhuis ging door. In september 1801 verkochten Van Tessel en Van Riel de “grond van de gewezen buitenplaats” voor ƒ 2000 aan Maarten Sijmensz Vlaar te Spanbroek.

 

 

 

 

Design downloaded from free website templates.