PK24-25-26 Vredenburgh Zuiderweg 68

PK24

Op 30 juli 1612 vond op het Slot te Purmerend de verloting plaats van de kavels van de Beemster onder diegenen die zich hadden ingeschreven als participanten in de droogmaking en er naar rato van hun inschrijving aan hadden meebetaald. De Purmerenderkavels 24, 25 en 26 werden aan verschillende eigenaars toebedeeld. In 1623 kwamen ze in bezit van n eigenaar, Gillis Panhuijsen (1574-1626). Hij kwam oorspronkelijk uit Antwerpen en had zich als wolkoopman in Amsterdam gevestigd. Na zijn dood verkocht zijn weduwe de kavels aan Andries van der Meulen (1591-1654). Ook hij was in Antwerpen geboren en was koopman in Amsterdam. Hij verkocht de kavels, groot viereneenhalve morgen, in 1628 voor  2150 aan Jacob Pietersz van Dijck te Purmerend. Elf jaar later verkocht hij ze aan Frederick Alewijn.

 

Frederick Alewijn (1603-1665) was de bouwheer van Vredenburgh. Hij had aan twee vooraanstaande architecten, Philip Vingbooms en Pieter Post, opdracht gegeven een ontwerp voor een buitenhuis te maken en koos uiteindelijk voor dat van Post. Van Vredenburgh zijn zowel afbeeldingen als een maquette bewaard gebleven.

 

PK24 Vredenburgh voorzijde (Provinciale Atlas Noord-Holland)

 

Frederick Alewijn werd in 1639 hoofdingeland van de Beemster. In 1657 werd hij lid van de vroedschap van Amsterdam. Door zijn huwelijken was hij gelieerd aan de hoogste kringen van Amsterdam. Zijn tweede vrouw, Eva Bicker, behoorde tot een familie die in de zeventiende eeuw lange tijd de politiek van Amsterdam en Holland bepaalde. Evas nicht Wendela trouwde met raadpensionaris Johan de Witt.

 

pk24_frederick_alewijn pk24_eva_bicker Frederick Alewijn en Eva Bicker (Rijksmuseum)

 

In 1671 liet hun zoon Dirck als enige erfgenaam alle landerjen van zijn ouders op zijn naam overboeken. Dirck Alewijn (1644-1687) was ook hoofdingeland van de Beemster In Amsterdam bekleedde hij slechts de functie van kerkmeester. Hij trouwde met zijn achternicht Agatha Bicker. Zijn vermogen werd in 1674 geschat op  250.000, maar dat was waarschijnlijk te laag. Bij zijn huwelijk in 1667 bracht alleen Dirck al voor ruim 500.000 gulden aan goederen aan en Agatha  180.000 aan obligaties.

 

pk24_dirck_alewijn pk24_agatha_bicker Dirck Alewijn en Agatha Bicker

 

Na de dood van Dirck bleef Agatha Bicker (1647-1716) als boedelhoudster eigenaresse van Vredenburgh. In 1717 verdeelden de vier kinderen de nalatenschap van hun ouders, waarbij de buitenplaats gezamenlijk bezit werd van Frederik, Eva en Anna Alewijn. Binnen enkele maanden verkochten Eva en Anna hun eenderde deel voor  2000 elk aan Frederik.

 

Frederik Alewijn (1676-1724) bracht het tot schepen van Amsterdam in 1714. Hij werd in 1720 hoofdingeland van de Beemster. Hij overleed ongehuwd na een lang ziekbed in 1724. Bij testament legateerde hij Vredenburgh aan zijn jongere broer Dirk.

 

Mr. Dirk Alewijn (1682-1742) was in 1720 schepen van Amsterdam. In datzelfde jaar werd hij benoemd tot dijkgraaf van de Beemster. Hij staat ook in het verpondingsregister van 1733 als eigenaar vermeld. Het plaisirhuijs werd daarin aangeslagen voor  80, een van de vier grootste herenhuizen. In 1735 trad hij toe tot de vroedschap van Amsterdam. Hij kocht in 1739 voor  13.000 een huis aan de westzijde van de Herengracht bij de Leliegracht. Zijn weduwe, Bregje Loten, werd in 1742 voor de Personele Quotisatie aangeslagen voor een jaarinkomen van  9-10.000. Zij had 7 dienstboden, een buitenplaats, een koets met twee paarden en het huis werd geschat op een huurwaarde van  1900. Bregje Loten (1692-1760) bleef als boedelhoudster eigenaresse van Vredenburgh Bij de verdeling van de erfenis na haar dood werd de hofstede toebedeeld aan zoon Frederik.

 

pk24_overzicht Vredenburgh met tuinen in vogelvlucht (Provinciale Atlas Noord-Holland)

 

Mr. Frederik Alewijn (1737-1804) trad in zijn vaders voetspoor. Hij werd in 1757 hoofdingeland van de Beemster en na de dood van zijn vaders opvolger dijkgraaf Balthasar Coymans werd hij in 1759 benoemd tot dijkgraaf van de Beemster. Hij bleef in functie tot de omwenteling in 1795 en was daarmee de op n na langstzittende dijkgraaf van het Ancien Regime. In 1804 werd hij in zijn functie hersteld doch hij overleed op 10 november van dat jaar op zijn buitenplaats Vredenburgh waar hij de laatste jaren van zijn leven permanent woonde. In 1767 kwam hij in de Amsterdamse vroedschap. Hij werd er tweemaal tot burgemeester gekozen, in 1789 en 1793. Sedert 1772 was hij bewindhebber van de VOC kamer Amsterdam. Hij trouwde tweemaal een uit het Haarlemse patriciaat afkomstige vrouw: eerst in 1758 met Susanna Christina Huygens (1737-1767), en ten tweede in 1768 met Barbara Maria Fabricius (1744-1805). Zijn jongste zoon mr. Frederik Alewijn (1775-1817) verhuisde naar Hoorn waar hij in 1799 trouwde met Margaretha Christina Opperdoes (1780-1844), dochter van mr. Pieter Opperdoes, raad en burgemeester van Hoorn. Hij erfde de buitenplaats Vredenburgh van zijn vader en werd in 1804 dijkgraaf van de Beemster. Hij woonde afwisselend in Hoorn en in de Beemster en overleed op Vredenburgh. Na zijn dood werden de Beemster landerijen verkocht, waarna Vredenburgh in 1819 werd gesloopt.

 

 

 

 

Design downloaded from free website templates.