PK70-71 Zwaansvliet Volgerweg 80

PK70 Zwaansvliet

Op 30 juli 1612 vond op het Slot te Purmerend de verloting plaats van de kavels van de Beemster onder diegenen die zich hadden ingeschreven als participanten in de droogmaking en er naar rato van hun inschrijving aan hadden meebetaald. De Purmerenderkavels 70 en 71 werden aan verschillende eigenaars toebedeeld. In 1614 en 1616 werden ze gekocht door Hendrick en Dirck van Oss. Deze grootste investeerders in de droogmaking van de Beemster verkregen samen ongeveer eenzevende van de totale oppervlakte. In de eerste jaren na 1612 kochten ze nog veel land aan. De broers kwamen oorspronkelijk uit Antwerpen, maar waren na de herovering van deze stad door de Spanjaarden naar het noorden gevlucht. Ze vestigden zich als kooplieden in Amsterdam. In naam deden de broers alles samen, in de praktijk was Hendrick de ‘stille vennoot’ op de achtergrond terwijl Dirck de ondernemer was. Hij richtte zijn aandacht niet alleen op de aloude handelsgebieden (Oostzee, Frankrijk, Middellandse zee), maar vooral ook zocht hij nieuwe markten in de Levant, het Verre Oosten en Rusland. Dirck van Oss behoorde tot de eerste Hollanders die via Archangel met de Russen in contact kwam. Hij stak geld in één van de eerste vloten die naar Indië gingen in de jaren 1590. Toen op initiatief van Van Oldenbarneveldt de VOC werd opgericht in 1602 kochten Hendrick en Dirck van Oss voor ƒ 47.000 aan aandelen. Dat leverde hen in de jaren daarna behoorlijke winsten op waarvoor ze op zoek gingen naar investeringsmogelijkheden. Die vonden ze in de Beemster. Bij zijn dood in 1615 bezat Dirck een vermogen dat wordt geschat op bijna 3 miljoen gulden.

 

Dirck van Oss Dirck van Oss in 1583 (Stedelijk Museum Alkmaar), Hendrick van Oss in 1610 (particulier bezit)

 

Na de dood van Hendrick kwamen de kavels in 1623 in bezit van de oudste zoons van Dirck: Dirck junior en François. In 1632 maakten de broers een onderlinge verdeling, waarbij de PK70-71 aan François werden toebedeeld. Dirck kreeg de naastgelegen kavels. Beiden lieten er een groot huis bouwen.

 

Dirck en francois De buitenplaatsen van Dirck (boven) en François van Oss (onder)

 

François van Oss (1592-1638) was koopman in Amsterdam, hij leidde het handelshuis dat zijn vader had opgericht. Hij bekleedde ook de functie van hoofdingeland in het polderbestuur van de Beemster tot zijn dood in 1638. Zijn eerste vrouw, Anna Pels, verdronk bij het oversteken van het IJ. François hertrouwde met Sara Wijs, dochter van Guiljaem Wijs, een net als de gebroeders Van Oss uit Antwerpen afkomstige koopman die ook land in de Beemster bezat. Bij haar kreeg François een dochter, Sara.

 

wapenbord

Sara van Oss (1632-1703) was de enige erfgenaam van het fortuin van haar vader, en erfde dus ook Zwaansvliet. In 1653 trouwde ze met mr. Joan van Reijgersbergh (1630-1693), afkomstig uit een Zeeuws regentengeslacht. Zijn tante Maria was beroemd geworden toen ze haar man Hugo de Groot in een boekenkist uit slot Loevesteijn, waar hij gevangen zat, wist te smokkelen. Joan was vroedschap van Middelburg en afgevaardigde van Zeeland in de Admiraliteit van Amsterdam.

 

 

Wapenbord met kwartieren van Sara van Oss (Rijksmuseum)

 

Sinds 1662, nadat Sara van Oss officieel haar geërfde landerijen op haar man's naam had laten overboeken, was Joan hoofdingeland van de Beemster. Enkele jaren later erfde Sara nog meer Beemster kavels uit de nalatenschap van haar oom, dijkgraaf Dirck van Oss. Van 1685 tot zijn dood in 1693 was mr. Joan van Reijgersbergh zelf dijkgraaf van de Beemster.

 

Vier dochters van Joan en Sara werden volwassen: Sara, Johanna Maria, Margareta en Barbara. Van hen trouwde alleen de oudste, de anderen bleven ongehuwd. Sara van Reijgersbergh (1657-1735) trouwde met de Amsterdamse advocaat mr. François Hinlopen. Hij had dezelfde achtergrond, want zijn grootvader was ook een uit Antwepen afkomstige koopman. Zwaansvliet was intussen na de dood van Sara van Oss in 1704 vererfd op de drie ongehuwde zusters Reijgersbergh. De langstlevende van hen was Johanna Maria die in 1727 overleed. Bij testament legateerde zij haar hofstede Zwaansvliet aan haar neef, mr. Jan Hinlopen (1686-1748).

 

grafzerk Hinlopen

Hij bekleedde, net als zijn vader en grootvader, een functie bij de Admiraliteit van Amsterdam. Als commies van de convooien en licenten (een soort belasting-ambtenaar) was hij mede-verantwoordelijk voor de inning van de heffingen op de in- en uitvoer van goederen. Dat leverde hem, naast de opbrengsten van zijn vermogen, een aardig inkomen op. In 1742 werd zijn jaarinkomen geschat tussen vijf- en zesduizend gulden.

 

 

 

 

grafzerk familie Hinlopen in Oude Kerk (Stadsarchief Amsterdam)

 

Sinds 1725 was Jan Hinlopen ook hoofdingeland van de Beemster. Hij staat in het verpondingsregister van 1733 als eigenaar vermeld. Het “plaisirhuijs” werd daarin aangeslagen voor ƒ 60, wat duidt op een groot herenhuis. Uit een tweetal boedelinventarissen, opgemaakt in 1762 en in 1794, valt de indeling van het huis af te leiden. Op de begane grond bevonden zich een “goudleer kamer”, een voorkamer, een voorhuis, een zaal, een eetkamer, een “comptoir”, een zitkamer, een grote en een kleine keuken, een provisiekamer, een porseleinkamertje, een naai- en een mangelkamer en een secreet. Op de bovenverdieping waren een “princekamer”, een “chitse kamer” (met sits bekleed), twee zitkamers, twee slaapkamers, drie kleine kamers, en het secreet boven. Verder waren er verschillende zolders, een bier- en een wijnkelder en een gewone kelder. Buiten bevond zich een tuinhuisje. In 1794 werden nog twee kanonnen en een marmeren beeld in de tuin vermeld.

 

pk70_poort2

Na de dood van zijn weduwe, Johanna van Goor, verdeelden de drie kinderen in 1763 de erfenis. Oudste zoon Cornelis, die op basis van het testament van zijn tante Agnes van Goor deze familienaam toevoegde aan zijn achternaam, verkreeg hierbij Zwaansvliet. Cornelis van Goor Hinlopen (1719-1794) was vanaf 1748 secretaris van de Beemster. In 1780 nam hij ontslag en bedong dat zijn jongste zoon, Pieter, hem zou opvolgen. Tevens behield hij zijn zitplaats in de kerk en het recht om in Beemster wateren te vissen.

Poort Zwaansvliet, ets van Simon de Heer (Stichting Simon de Heer)

 

Pieter van Goor Hinlopen was echter niet zo'n goede secretaris. Bij zijn dood in 1790 bleek zijn kantoor niet op orde te zijn. De belastingkohieren waren niet bijgehouden, waardoor er een achterstand bij het innen van de heffingen van ƒ 63.000 was ontstaan. Het polderbestuur wilde beslag laten leggen op zijn nalatenschap, maar de weesmeesters van zijn woonplaats Purmerend staken daar namens de twee minderjarige kinderen een stokje voor. Uiteindelijk werd een accoord bereikt dat niet-afgedragen belastingen van de Beemster voorrang kregen bij de afhandeling van de nalatenschap. Hoewel Cornelis van Goor Hinlopen al in 1794 was overleden, verdeelden zijn twee nog in leven zijnde kinderen de erfenis pas in 1805. Zoon Jan verkreeg daarbij Zwaansvliet.

 

Mr. Jan van Goor Hinlopen (1753-1833) maakte carriere in het stadsbestuur van Purmerend. Hij was van 1782 tot 1795 lid van de vroedschap en werd in 1789 en 1790 tot burgemeester gekozen. In de Franse tjd bleef hij als Orangist zonder bestuurlijke functies, hoewel hij in 1804 hoofdingeland van de Beemster werd. Pas na het herstel van de onafhankelijkheid keerde hij terug op het toneel. Zo was hij aanwezig op de Vergadering van Notabelen in 1814 waar de nieuwe Grondwet van het Koninkrijk werd opgesteld. Sedert 1816 was hij lid van Provinciale Staten van Holland. In datzelfde jaar werd hij benoemd tot burgemeester van Purmerend. In 1820 werd hij bovendien dijkgraaf van de Beemster. De laatste jaren van zijn leven woonde Jan permanent op Zwaansvliet. Bij de invoering van het Kadaster in 1832 was dit het enige huis dat in de hoogste klasse werd aangeslagen. De grootte van het huis bedroeg 1310 m2. Aan landerijen in de Beemster had hij bijna veertig hectare. De erfgenamen, zijn dochters Jacoba Anna en Clara Elisabeth, verkochten in januari 1835 in openbare veiling onder andere de buitenplaats Zwaansvliet, dat omschreven werd als: een kapitale herenhofstede met beneden- en bovenkamers, zo behangen als onbehangen, met keuken, kelder, tuinmanswoningswoning met stallingen met daarbijbehorende plantsoen, vijver en singels. Koper was Trijntje Pan, een oorspronkelijk uit Enkhuizen afkomstige vroedvrouw. Zij was de weduwe van de schoenmaker Jan Fabritius, die in 1825 een boerderij aan de Westdijk in de Beemster had gekocht. Op 1 mei 1835 hertrouwde Trijntje met Jan Roda, bode van de Beemster. Zes jaar later scheidden zij echter van tafel en bed.

 

pk70_poort

In december 1854 kwam het inmiddels zeer vervallen buiten met de bijbehorende landerijen voor ruim ƒ 30.000 in bezit van Pieter Koning. Het herenhuis werd kort daarna gesloopt en de beplanting gerooid. Het poorthuis en de fraaie toegangspoort met de allegorische beelden Fortuna (lot) en Prudentia (voorzichtigheid) bleven voorlopig gespaard. De beelden gingen begin twintigste eeuw naar het Rijksmuseum. Het poorthuis werd rond 1920 afgebroken en de poort sneuvelde uiteindelijk bij de aanleg van de Rijksweg A7.

 

 

 

 

 

Design downloaded from free website templates.